Zwart oogt 't land op de vlakten rond Herzogenrath Waar ruiters door de nevel snelden Naar de weelde van Roof Door de gure kilte waar 't mes van stilte snijd En God ziet zelden Onze zielen schrijden Langs Galg en Rad Als we de roedel leiden Over Satan's weide naar menig schat Höthematöt övve alle Heggen en Zöng Gij knovelaer, snodaerd en rabauw Beneveld en dronken sinds de ochtenddauw Ere rampokken met knoesten en knokkels Waar God's vrede sterft Klinkt gelach met donder al schokkend Daar tekenen zich de horens En hoeven trappen genade diep in de grond