Nagelriemen vol met stront Brokkeltanden in de mond Zijn aangezicht is scheef en scheel Het wit van de ogen, donkergeel De haren zwart en botervet In het moeras staat zijn vieze bed De goorlap In de plaggen staat zijn huis Daar waar de kraaien zingen Bij het omgekeerde kruis Hij stopt zijn pijp vol turf en leem De ongekende stank Hij giet zijn lijf en leden Vol zelfgestookte drank